Doe mij recht, HEERE David wordt vals beschuldigd. Dat komt vaker voor. Ook Jezus werd vals beschuldigd. David zou iemand kwaad vergolden hebben die vrede met hem had. Het tegendeel is waar. Voor kwaad heeft hij goed vergolden. Maar ze willen hem doden. Daarom neemt hij de toevlucht tot zijn God. ‘Red mij, want niemand anders redt mij. U weet alles. Als ik gedaan heb wat ze zeggen, dan mag de vijand mij vertrappen. Sta op, HEERE.’ David bidt om Zijn tussenkomst. God heeft het recht ingesteld. Hij zal over de volken rechtspreken. ‘Doe mij recht, HEERE. Ik ben rechtvaardig. Ik ben niet schuldig aan wat ze me aanwrijven.’ Wat een troost geeft het dat de hoogste Wetgever en Rechter ons doorgrondt. Dat Hij weet wie Hem liefheeft en wie verkeerde bedoelingen heeft. Dat Hij eenmaal een einde zal maken aan alle slechtheid. Dat Hij de rechtvaardige doet standhouden, ook als die alleen staat. – ‘Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, ook wanneer Hij lang wacht om hen te hulp te komen?’ (Luk. 18:7)